Beschaving en Communisme
Marx stelde dat het communisme de enige echt "menselijke" maatschappijvorm was, maar die kon alleen maar op onmenselijke wijze bereikt worden - door gewelddadige revolutie.

Excerpt uit: De Communistische Belofte
Het is een geluk dat menselijke eigenschappen als mededogen en rechtvaardigheidsgevoel niet gebonden zijn aan klasse, geloof, of ideologie. Het lijkt altijd mis te gaan wanneer één groep een monopolie beweert te hebben op de menselijke deugden. Men hoeft maar te kijken hoe vaak politieke deugdenclaims ontaarden in ordinaire machtsstrijd. Deugdzaamheid veinzen is tenslotte een van de oudste trucs die manipulatoren gebruiken om invloed en macht te vergaren.
En dit raakt aan een essentieel punt: politiek gaat in wezen over macht en niet over goedheid of deugdzaamheid. Dat wil niet zeggen dat een bepaalde politicus niet deugdzaam kan zijn, of dat een beleid niet goed kan zijn voor de samenleving, of dat goedheid en deugdzaamheid niet de norm zouden moeten zijn. Maar het politieke spel blijft in wezen een strijd om de macht – een strijd om te beslissen wie de macht zal uitoefenen. Deze strijd kan worden gevochten met woorden en argumenten in beschaafde naties, of worden beslecht met geweld en intimidaties in minder beschaafde naties. Het beschavingsniveau van een land kan worden gedefinieerd als de mate waarin men in staat is een machtsevenwicht te bereiken door middel van dialoog in plaats van geweld, door afspraken in plaats van door intriges en verraad, enz.
Wil een constructieve dialoog vruchten afwerpen, dan moeten de deelnemers volwassen zijn, zelfbeheersing hebben, en van goede wil zijn. Marx’ imperatief dat het communisme alleen “met geweld” kan worden bereikt, maakt het communisme fundamenteel anti-beschavingsgericht. Maar ook de weigering van de fabriekseigenaren om de klachten over de arbeidsomstandigheden te aanhoren, onthulde een gebrek aan beschaving, in dit geval: egoïstische kortzichtigheid, onwil om voor het welzijn van anderen te zorgen, en een ontoereikend begrip van de menselijke natuur en geschiedenis. Er kan geen dialoog bestaan wanneer de onwil om de andere kant te horen de sociale sfeer domineert. Wanneer gerechtvaardigde klachten niet worden gehoord, zullen de kluisters die geweld aan banden leggen op een dag inderdaad openbreken.
Het vermogen om elkaar te horen is misschien wel de belangrijkste bouwsteen van de beschaving. Geen dialoog betekent geen samenwerking, geen vooruitgang, geen beschaving. We kunnen niets van waarde opbouwen wanneer mensen alleen complimenten en positieve bevestiging tolereren. Een dergelijk sociaal contract zou de wereld snel veranderen in een toneel van valse vriendelijkheid, een nepwereld die stille wrevel kweekt. Hoe kunnen meningsverschillen onder zulke omstandigheden worden opgelost? Dat kan niet. Het zou onmogelijk zijn. Alleen oprechte bereidheid om naar andermans mening, suggesties, en klachten te luisteren kan de banden van samenwerking smeden, meningsverschillen oplossen, en een cultuur van gedeeld wederzijds respect tot stand brengen.
Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Daadwerkelijk luisteren naar klachten, kritiek, en moeilijke vragen vereist veel geduld en zelfbeheersing, maar het blijft een onmisbare voorwaarde van elke constructieve dialoog tussen verschillende partijen. Het vereist wijsheid om het standpunt van anderen te kunnen begrijpen, en moed om de gebreken van het eigen standpunt te erkennen wanneer erop gewezen wordt. Pijnlijke kwesties kunnen alleen productief worden besproken met een serene geest, in oprechtheid, en met goede wil. Om goed te worden in constructieve dialoog – in tegenstelling tot tirades – moet men zijn emoties leren beheersen en zijn geestelijke vermogens goed cultiveren. Als mensen daarbij van elkaar leren, komt dat uiteindelijk de hele samenleving ten goede. Oververhitte emoties leiden meestal niet tot vreedzame oplossingen of wederzijds bevredigende afspraken.
Deze vaardigheden onderwijzen en cultiveren is sinds het oude Griekenland een hoeksteen van de westerse beschaving geweest (en niet alleen van de westerse). Maar deze mentaliteit en de voordelen ervan worden irrelevant gemaakt door de marxistische notie dat alle denken, behalve het revolutionaire denken, een vervreemding is. Had Marx niet gezegd dat de ideologische bezwaren tegen het communisme het niet waard zijn enige aandacht aan te besteden? De traditie van de dialoog staat tevens lijnrecht tegenover het Marxiaanse gebod dat de communistische revolutie met geweld moet gevoerd worden. Als geweld de weg voorwaarts is, wat is dan nog het nut van beschaafde conversatie? Waarom nog moeite doen om anderen te begrijpen als hun standpunten sowieso vervreemdingen zijn (waar men vanaf moet)? Waarom dan nog tijd verspillen om jongeren te leren converseren met anderen met verschillende opvattingen, met verschillende dromen? Marx zei het zelf, dat er geen plaats was voor discussie van welke aard dan ook:
“De beschuldigingen tegen het communisme, die doorgaans vanuit religieuze, filosofische, en ideologische gezichtspunten worden geuit, verdienen geen verdere discussie.”
Het is inderdaad van belang voor de communistische revolutionair om de jonge generatie niet de kunst van de constructieve dialoog bij te brengen; het zou hen in de verleiding kunnen brengen om een niet gewelddadig pad te kiezen. Wie zal dan nog de revolutie voeren? De revolutie heeft geen mensen nodig die houden van praten – ze heeft mensen nodig die klaar staan om te vechten. Een efficiënte oplossing zou zijn om kinderen eenzijdige propaganda te voeren, gekruid met opruiende slogans die ze luidkeels naar iedereen kunnen schreeuwen. Met gecureerde feiten en kromme logica is het niet zo moeilijk hen de bereidheid bij te brengen om de wereld plat te branden – vertel hen gewoon dat alles boosaardig en slecht is en zorg ervoor dat ze alleen jouw kant van het verhaal horen. Dit is in het verleden meermaals gedaan. Zoals Stalin zei: “Onderwijs is een wapen waarvan het effect wordt bepaald door de handen die het hanteren.” De “Rode Garde” van Mao Zedong was misschien wel het gruwelijkste voorbeeld van de jeugd het vuile werk laten doen: politieke tegenstanders uitjoelen, beelden en tempels vernielen, mensen in elkaar slaan, vrienden en familie verraden, lid worden van moorddadige eenheden, enz. Wie kan de revolutie beter voeren dan een groene, impulsieve jeugd, die nooit geleerd heeft om na te denken, wier hersenen doorspoeld zijn met propaganda nog voor ze hebben geleerd van wie ze zelf zijn?
Bestel “De Communistische Belofte”
bij Polemos of bij uw boekhandel


Comments