Excerpt uit: De Communistische Belofte

Van alle literaire vormen is de poëzie het meest geschikte en directe middel om zijn innerlijke leven uit te drukken. Marx had het hoog op met poëzie en betreurde dat het zijn professionele bezigheid niet kon zijn. Zijn poëzie is het eerste écht creatieve schrijven van hem waar we weet van hebben, een eerste kijk op zijn vrijlopende gedachten – een ideaal beginpunt voor een karakteranalyse dus. 

De gedichten dateren uit zijn studententijd, van 1835 tot 1841, toen Marx tussen de 17 en 23 jaar oud was, met het merendeel geschreven in 1837. Marx schreef voor zijn verloofde drie bundels met liefdesgedichten. Eén gedichtenbundel was geadresseerd aan zijn vader; deze bevatte kopieën van meerdere gedichten die hij voor Jenny had geschreven. 

De hoeveelheid poëzie die bewaard is gebleven is vrij aanzienlijk. Ze maken echter duidelijk dat Marx nooit een groot dichter zou worden; zijn liefdesgedichten zijn immatuur en gekunsteld, zoals hij later zelf toegaf. Het lijdt geen twijfel dat zijn liefde voor Jenny oprecht was, maar de verzen slagen er niet in echt te ontroeren. Ze bevatten verder typisch Romantische rijmelarijen over elfen en feeën, en er zijn ook een handvol humoristische gedichten: minachtende verzen over specifieke personen; spotverzen over de filosofieën onderhouden door de studenten geneeskunde; een avond in het “Wiener Apen Theater” waar het enige dat ontbreekt bij het gapen, zijn “p__ende apen,” enz. Franz Mehring, die alle geschriften van Marx postuum verzamelde, was teleurgesteld omdat het de gedichten ontbrak aan socialistische ideeën. De Romantische mijmeringen zouden niets bijdragen aan de reputatie van de meester, oordeelde hij, en daarom adviseerde hij Marx’ dochter Laura om ze verborgen te houden.

Maar niet alle gedichten waren Romantische mijmeringen. In feite is Marx als dichter op zijn best wanneer hij reikt voorbij grollen en Romantische sentimentaliteit. “Ontwaken” leest als een verslag van een psychedelische ervaring, en resoneert als ware poëzie. Het wordt onmiddellijk gevolgd door het indrukwekkende “Wanhopig Gebed,” waarin de toon een angstaanjagende wending neemt. Amateuristische affecties maken plaats voor een brandende ernst wanneer expressie wordt gegeven aan het verlangen naar wraak op de wereld – nee, op de hele kosmos.

Dus een god ontrukte me alles
In de vloek en pijn van het lot, 
Al zijn werelden onherroepelijk weg! 
Slechts één ding – wraak – rest mij nog!

Trots zal ik mijn wraak nemen, 
op het wezen dat daar op de troon zit. 
Mijn kracht is een lapwerk van gebreken
mijn goede zelf vindt nergens beloning!

Dan, een belofte:

Ik zal mij een troon oprichten, 
koud, ontzaglijk zal zijn piek zijn. 
Zijn bolwerk – bovenmenselijke angst. 
Zijn maarschalk – de zwartste kwelling!

In het licht van de vele “communistische” dictaturen die Marx als inspiratie hebben genomen, lijken deze verzen achteraf gezien bijzonder profetisch. Al met al hebben ze meer dan 100 miljoen mensen het leven gekost, en twee miljard mensen onder een tiranniek bestel geplaatst, om nog maar te zwijgen van de mentale terreur die de bevolking onderging door de alomtegenwoordigheid van spionnen, verklikkers, en de dreigende willekeur van vervolging. Deze verzen hadden net zo goed achteraf geschreven kunnen zijn, als een reflectie op deze tirannieke regimes, en zouden niet meer of minder passend zijn. De volgende regels beschrijven accuraat het lot van zij die het waagden deze regimes te bekritiseren. 

Wie ’t aanschouwt met gezonde blik,
Deinst lijkbleek, verstomd terug,
Verblind door de adem des doods,
Graaft hij zelf het graf zijns geluk.

Als het ene regime valt, staat het andere op...

En de bliksem van de Allerhoogste 
Zal afketsen op het ijzeren fort, 
En zou Hij mijn muren, zalen breken, 
De eeuwigheid bouwt er tartend nieuw’.

Inderdaad, het communisme heeft steeds nieuwe aanhangers gevonden, in blinde weerwil van zijn herhaalde mislukkingen. We kunnen in deze verzen natuurlijk lezen wat we willen, maar het blijven niettemin opmerkelijke parallellen. De dorst naar macht is een terugkerend thema in de verzen – zelfs in de liefdesgedichten opgedragen aan Jenny. 

Ik probeer de hemel te grijpen 
en de wereld naar me toe te trekken; 
In liefde en in haat
wil ik blijven uitbarsten ...
hele werelden zelf vernietigen, 
omdat ik ze niet creëren kan.

Liefdespoëzie bevat doorgaans geen wraakzuchtige beloften van globale vernietiging, dus deze verzen zijn op zijn zachtst gezegd wel erg fantastisch te noemen. Andere gedichten spelen met het concept van zelfmoord, zoals elke zichzelf respecterende Romantische dichter het placht te doen. Echter, hier is de zelfmoord geen zuiver individuele aangelegenheid:

Ik ben niets voor mij! Maar jij, mijn jeugdige armen 
Ze klampen zich krampachtig vast aan je borst,
De afgrond gaapt naar ons beiden in de nacht
En als je ten onder gaat, zal ik lachend volgen,
En fluisteren in je oor: “Daal af, vergezel me, vriend!”

Kil nihilisme zet de toon in de monoloog van Oulanem, hoofdpersonage in het gelijknamige onvoltooide toneelstuk:

Wij, een klok, blindmechanisch opgewonden, 
om de kalendergek te zijn van tijdruimte, 
om te zijn, zodat er iets kan zijn, 
om te vergaan, zodat er verval kan zijn.

Gebonden, voor altijd, angstig, verbrijzeld, leeg, 
Gebonden aan het marmeren blok van het bestaan, 
Gebonden, voor altijd gebonden, voor altijd!

De werelden grijpen ons terwijl ze verder tollen, 
ze huilen hun eigen doodsliederen 
En eeuwig brult het drukkende golven,
In het oor, om de walging uit te putten!

Meedogenloze vernietiging is een bron van vreugde voor de psychopaat, voor wie de wereld niet meer is dan een gevangenis vol onbeduidende wormen die alle onheil verdienen dat hen overkomt. De jonge Marx verkent met bravoure de donkere krochten van de menselijke geest.

Als er verder nog iets was dat verslond, ik dook erin, 
al moest ik er een wereld voor vernietigen, 
De wereld die zich opwerpt tussen dat en mij!
Verbrijzeld moet hij, door een langgerekte vloek.

Ik sloeg mijn armen om het harde zijn,
Mij omhelzend zal [deze wereld] stom vergaan,
En naar beneden zinken in het niets,
Totaal vergaan, zonder bestaan – dat zou pas leven zijn!

Alzo laat Marx zijn hoofdpersonage watertanden bij de gedachte aan de totale vernietiging van de wereld.

Vernietiging verheugt de blik in giftige stralen, 
Rolt het de logge werelden weg die binden? 

Tegen het einde van zijn monoloog drijven wrok en nihilisme Oulanemer uiteindelijk toe de wereld en alles wat zich daarin bevindt – planten, vogels, mensen, rotsen – te verdoemen. En wat maakt het uit? Ze waren hoe dan ook vanaf het begin reeds vervloekt: 

Binnenkort druk ik de eeuwigheid aan mijn hart 
en brul ik de gigantische mensenvloek erin.

Snel nu – de teerling is geworpen – alles is klaar, 
Vernietig wat door leugenpoëzie werd bedacht, 
Een vloek zal eindigen wat een vloek begon.

Marx lijkt vaak genoegen te scheppen in de ondergang van zijn personages. Er is het ondergedompelde skelet dat steeds wordt “vermoord” door de “koude en harteloze golven”; de vrouw die haar verstand verliest nadat haar geliefde een verdrinkingsdood sterft; de klif die voorbijgangers naar hun dood lokt.[2] Dan is er het mannetje, dat zijn pompende hart eruit snijdt om bloemenkoning gekroond te worden, maar de beloofde kroon wordt hem ontzegd omdat zijn hartje nu niet meer klopt. 

“Klein mannetje in de zon 
kan niet de bloemenkoning zijn. 
Je rozerode bloed kan niet sproeien, 
Je diepe hart moet nu voor ons gloeien.”

Het mannetje rukte zijn ogen uit, 
En begon te schrapen met zijn handen, 
In diepe stilte bouwt hij zich een tombe. 
Daar ligt hij, daar ligt hij begraven.

Sommige horrorgedichten van Marx lijken met een welbepaald doel te zijn geschreven: “Lucinda” beschrijft een afgewezen minnaar die zichzelf tijdens de huwelijksdans in het aanzicht van alle aanwezigen doodt, waarop ook de bruid zelfmoord pleegt; “De bleke meid” wordt na een gebed overwonnen door “een ander” die haar vertelt dat haar geloof slechts schijn is, dat haar liefde voor altijd “van hem” is, waarop ze op de vlucht slaat en bekent dat ze “op weg is naar de hel”; in “Ontvoering” maakt een meisje dat probeert van huis weg te lopen met een geharnaste ridder een dodelijke val terwijl ze uit het raam klautert; “Nachtelijke Liefde” beschrijft een zelfmoordpact tussen geliefden waarbij slechts één partij er weet van heeft dat er gif wordt ingenomen. De boodschap is duidelijk: het verbreken van de liefde zal niet eindigen in alleen maar liefdesverdriet – het zal uitlopen op zelfmoord, eeuwige verdoemenis, een fataal ongeluk, ... of moorddadige wraak.

In de correspondentie wordt Marx herhaaldelijk door vader, moeder, en zus verzekerd dat Jenny’s liefde voor hem niet aan het doven was toen hij aan de universiteit verbleef. In een brief van 2 maart 1837 vermeldt de vader een schaduw over Jenny te zien hangen. We kunnen alleen maar raden in hoeverre Marx’ onheilspellende gedichten bijdroegen aan de gemoedstoestand van het meisje. 

“Maar er valt mij iets op in Jenny’s gezicht. Zij, die zich zo volledig aan jou geeft met haar kinderlijke, pure karakter, onthult soms, onvrijwillig en tegen haar wil, een soort angst, een onheilspellende angst, die mij niet ontgaat en die ik niet kan uitleggen, en waarvan ze elk spoor heeft proberen uit te wissen in mijn hart zodra ik haar erop wees. Wat is het, wat kan het zijn? Ik kan het aan mezelf niet uitleggen, maar helaas laat mijn ervaring me niet gemakkelijk misleiden.”

In het gedicht “Mensentrots” maakt onze dichter zijn geliefde als volgt het hof:

Dan werp ik met minachting mijn handschoen vol in het aangezicht van de wereld, 
Kreunend stort deze reuzendwerg neer, het puin zal mijn gloed niet doen luwen. 
Zegevierend als een god zal ik door de ruïnes van hun koninkrijk schreden, 
Elk woord is vuur en actie, mijn borst gelijk aan die van de Schepper.

Na deze verzen vol blinde woede jegens de hele schepping, de beloftes van wraak, het uiten van de ambitie om te heersen met “de zwartste kwelling,” het verlangen om het universum te vernietigen, bereidheid om zichzelf te doden teneinde anderen ten gronde te richten, en het afroepen van een gigantische vloek over de wereld, verlangt de jonge Marx er nu naar om door de ruïnes van dit alles te lopen – als een god, gelijk aan de Schepper. Bestaat nog er een groter recept voor een catastrofe?

Natuurlijk wel! “De Speler,” een gedicht dat Marx vier jaar nadat hij het schreef publiceerde, beschrijft het optreden van een krankzinnige violist. Hier is het kwaad niet louter een gesmaakte perversie – het wordt een roeping, een plicht uitgevoerd in dienst van een bovennatuurlijke entiteit. 

Helse dampen stijgen op, bereiken het hoofd, 
betoveren de geest en transformeren het hart, 
– ik heb ze levend verkregen van de Duistere!

Waarvoor dan?

Hij slaat me de maat, hij krijt de tekens,
Ik moet de dodenmars voller, gekker spelen.

Ik ben er niet de persoon naar om te suggereren dat Marx de heer der duisternis heeft opgeroepen om een contract met bloed te ondertekenen op een stuk perkament gemaakt van de huid van gekruisigde apostelen (hoewel hij daar op een bepaald moment in zijn leven misschien geen bezwaar tegen zou gemaakt hebben). Maar ik moet toelichten dat mijn aandacht voor Marx’ poëzie niet zonder reden is: toen ik een dwaze, gekwelde jongeman was, zoals het mijn ongelukkige lot was, heb ik een paar jaar doorgebracht als “zanger” in een experimentele muziekgroep. Ik zal nooit mijn schok vergeten toen ik tientallen jaren later mijn tekstenboekje terug doornam. In die tijd dacht ik dat ik gewoon creatief was, “mijn verbeelding de vrije loop liet,” en er plezier in had nare scenario’s te bedenken waarvan ik dacht dat ze geen enkel verband hadden met enige werkelijkheid. Ik kon er niet verder naast zitten: de “fictie” die ik schreef over fictieve personages die fictieve dingen overkwamen (waarvan sommige erg duister) gingen achteraf gezien allemaal over mij. Het waren weerspiegelingen van de innerlijke onrust die in mij broedde, onbewuste processen waardoor ik me aan de oppervlakte slecht voelde, maar waarvan ik me op dat moment amper bewust was. Ze zouden me een paar jaar later overmeesteren en me volledig onderuithalen. Het was een gigantische beproeving die niet goed zou zijn geëindigd indien ik er niet in geslaagd was me er al kruipend uit te slepen. Toen ik zag hoeveel mijn teksten weerspiegelden wat mij toen onbewust beroerde, en wat zich later zou manifesteren, heeft mij dat ten gronde overtuigd dat kunst de kunstenaar meer verraadt dan de kunstenaar voor mogelijk houdt – ook wanneer het slechte kunst is. En dus ben ik geneigd het eens te zijn met Gustav Jung, die beweerde dat de dingen in onze dromen en artistieke uitingen, onszelf zijn, ook al beseffen we dat misschien niet ten volle. Ik begrijp dat dit geen harde wetenschap is, maar fictie is het evenmin. 

Het is best mogelijk dat Karl Marx zichzelf hetzelfde vertelde als ik; dat hij op creatieve wijze de duistere spelonken van de menselijke ziel aan het verkennen was, louter ter wille van de verkenning. Maar de dingen waarover hij schreef – inclusief een diep verlangen naar vernietiging en een losgeslagen honger om te heersen als een wraakzuchtige god – waren misschien wel meer dan alleen maar fictie. Het menselijke onderbewustzijn blijft een versluierd terrein dat moeilijk te doorgronden is, maar in het licht van Marx’ nalatenschap – de verschrikkingen van het communisme – zou het nalatig zijn om de uitzonderlijk gecondenseerde duisternis van zijn poëzie af te doen als irrelevant en inconsequent, vooral omdat het zo nauwkeurig beschrijft wat later zou voorvallen, of eerder: omdat de verschrikkingen die plaatsvonden zo accuraat weerspiegelen wat in de verzen wordt opgeroepen.

De vraag is, als deze gedichten inderdaad uitdrukking gaven aan wat in het onderbewustzijn van de jonge Marx aan het broeden was, was hij in staat om het te overwinnen? En zo niet, in hoeverre heeft het – zonder dat hij ervan bewust was – zijn denkprocessen misvormd en ondermijnd? Het is duidelijk dat dit ver in het domein van het ontastbare reikt. We kunnen dus niet hopen met antwoorden voor de dag te komen die kunnen doorgaan voor solide bewijzen. Het enige wat we zullen vinden zijn aanwijzingen van een waarheid die hooguit intuïtief kan worden aangevoeld. 

Het gedicht dat de broer van Bruno Bauer schreef over Karl Marx is misschien een voorbeeld van zo’n aanwijzing:

Wie zet de achtervolging in met wilde onstuimigheid? 
Een donkere kerel uit Trier, een merkwaardig monster. 
Loopt noch huppelt, maar springt op zijn hielen
En raast van woede, en alsof hij de wijde hemel
wil grijpen en naar de aarde slepen, 
strekt hij zijn armen wijd uit naar de lucht.
Met boze gebalde vuisten gaat hij eindeloos tekeer, 
alsof tienduizend duivels hem bij de haren hebben.

Of dit gedicht nu bedoeld is als spot of lof maakt geen verschil want het blijft hoe dan ook een karikatuur. Als karikatuur zou het noodzakelijkerwijs op zijn minst enige gelijkenis moeten hebben met zijn onderwerp. In dit geval vond Edgar Bauer het gepast om zijn karikatuur dezelfde trekken mee te geven die we in de poëzie terugvinden: grenzeloze woede en een megalomane ambitie – “de wijde hemel grijpen en naar de aarde slepen.” Het wijst erop dat de passies uitgedrukt in Marx’ poëzie niet louter een oefening in fictie waren, maar een typerend aspect van zijn persoonlijkheid. 

Als de jonge Marx had gehoopt de wereld met geweld te veranderen en door de geschiedenis heen herinnerd te worden, dan was zijn poëzie best profetisch. 

Ik moet me verweven in het vlammenwiel,
Om te dansen in de cirkel van de eeuwigheid!

Mij omringt een eeuwige drang,
eeuwig gebrul, eeuwige gloed.

Bestel “De Communistische Belofte”
hier of via uw boekhandel.